september 1992
Over de hele wereld groeit het inzicht dat de mensheid een diepgaande verandering in bewustzijn ondergaat. Dit weerspiegelt zich op vele manieren, niet het minst in de inspanningen om de aard van het bewustzijn zelf te verkennen, om het verband te onderzoeken tussen bewustzijn, denkvermogen en brein, en om het effect te bestuderen dat deze drie, alleen of tezamen, kunnen hebben op de materie en de wereld der natuur.
De oude, mechanistische zienswijzen omtrent de natuur en de krachten die daarin werkzaam zijn, verdwijnen snel en er daagt een nieuw besef van de eenheid die aan alle openbaring ten grondslag ligt. Het denkbeeld dat alles energie is, dat energie en materie verschillende toestanden zijn van één werkelijkheid en kunnen worden beïnvloed door gedachte, wordt steeds meer op grote schaal aanvaard en verandert de kijk van de mens op het leven. De verlichting neemt snel toe en spoedig zullen de methoden en technologie worden gevonden om dit feit aan te tonen. Dit is van grote betekenis voor de toekomstige evolutie van het ras.
Bij het binnengaan van de nieuwe tijd wordt een nieuwe urgentie gevoeld om de uiterlijke en de subjectieve werelden te onderzoeken en om de relatie te begrijpen tussen deze twee aspecten van de schepping. Vele wetenschappers over de hele wereld sturen hun onderzoek in die richting, gedreven door de behoefte om hun intuïtieve overtuiging dat alles met elkaar samenhangt, aan te tonen en te bewijzen. De aanvaarding van een bovenpersoonlijk zelf, of ziel, wint geleidelijk terrein en leidt tot een nieuwe synthese in de menselijke kijk op de werkelijkheid.
Uiteindelijk zal de gemeenschappelijke grond voor al deze onderzoekingen liggen in het besef dat bewustzijn het kenmerk is van de ziel, dat het denkvermogen en brein kanalen zijn, voertuigen voor de openbaring ervan, en dat er geen onderbreking of scheiding bestaat in de schakels die hen verbinden.
Tot nu toe zag men het zenuwstelsel als het pad voor de signalen, elektrisch van aard, vanuit het brein; het brein, de commandopost, initieert via dat ingewikkelde stelsel de mentale, emotionele en fysieke handelingen en reflexen waarmee we vaststellen en aantonen dat wij leven.
In beperkte mate is dit natuurlijk waar. De complexe computer van het stoffelijk brein coördineert en organiseert inderdaad een veelheid aan informatie en stimuli die onophoudelijk door dat gevoelige apparaat stromen. Maar naarmate het begrip van de aard en bron van bewustzijn toeneemt, zal een waarachtiger beeld ontstaan omtrent de status en functie van het brein als het brandpunt voor de oneindige variëteit aan impulsen die er vanuit hogere beginselen binnenkomen.
Ook menen velen dat de mens het denkvermogen is. Zij zien zichzelf, door vereenzelviging, als mentale wezens, in staat tot denken en handelen, volkomen autonoom en afgescheiden, wier hele bestaan gebaseerd is op het vermogen om te denken en te meten. Ook dit is slechts een schaduw van de ware verhouding die bestaat tussen de mens en het denken.
Het denkvermogen van de mens is een instrument, een lichaam, min of meer gevoelig — afhankelijk van het individu, waarmee de mentale gebieden kunnen worden gezien en gekend. Het gebied van het denkvermogen, de gedachtengordel, is oneindig in omvang en dient als kanaal voor alle mentale ervaring.
Wanneer de mensen dit inzien, zullen zij begrijpen hoe telepathie het natuurlijke gevolg is van deze verhouding, en zal er een nieuw tijdperk beginnen van wederzijdse communicatie en begrip.
Het zenuwstelsel zal worden gezien als de verbindende schakel tussen de ziel en haar voertuigen, het middel waardoor de ziel in incarnatie greep krijgt op haar reflectie en zich daarin openbaart.
Op deze wijze ontvouwt zich en groeit het bewustzijn, de aard van de ziel, werpt het zijn licht op alle niveaus, en maakt het de mens bewust van zijn bestemming als een Zoon van God.
